Meten we inclusie, of meten we vooral onszelf gerust?

Een opinie van Oussama Ben Chaib

Ik werk in een vak dat houdt van cijfers. We scoren, we benchmarken, we maken grafieken die langzaam de goede kant op kruipen. Een getal voelt als grip. Het maakt iets ongrijpbaars als inclusie ineens bestuurbaar: meetbaar, vergelijkbaar, klaar voor het jaarverslag. Maar ik betrap mezelf op een ongemakkelijke vraag. Meten we eigenlijk inclusie? Of meten we vooral onszelf gerust?

Zodra de maat een doel wordt Er bestaat een wetmatigheid voor dit ongemak. Goodhart’s Law: zodra een maat een doel wordt, houdt ze op een goede maat te zijn. Een school die op de toets gaat sturen, leert kinderen toetsen maken, niet denken. Een organisatie die op een diversiteitspercentage gaat sturen, kan dat getal halen en ondertussen de mensen achter het cijfer kwijtraken. Het dashboard kleurt groen, terwijl het verloop onder precies die groep stilletjes oploopt.

De socioloog Daniel Yankelovich beschreef ooit hoe meten ontspoort. Eerst meet je wat makkelijk te meten is. Dan doe je alsof wat je niet meet niet bestaat. En uiteindelijk verklaar je wat je niet kunt meten tot onbelangrijk. Dat laatste, schreef hij, is zelfmoord. In de Vietnamoorlog telde het Amerikaanse leger lichamen omdat dat telbaar was, en won zo elke spreadsheet terwijl het de oorlog verloor. De McNamara-denkfout heet dat: je verwart het meetbare met het belangrijke.

Wat een cijfer niet weet Een score weet niet of iemand zich vanochtend welkom voelde. Hij weet niet dat de nieuwe medewerker haar naam liet verbasteren omdat corrigeren te veel gedoe leek. Hij weet niet dat “we staan open voor iedereen” iets anders betekent vanaf de werkvloer dan vanaf de directiekamer. Inclusie leeft in de marges van wat je kunt tellen: in een blik, een stilte, een grap die nét niet kan. Precies daar, waar het meten ophoudt, begint vaak het eigenlijke werk.

Meten als begin, niet als bewijs Moeten we dan stoppen met meten? Nee, integendeel. Een nulmeting is waardevol, juist omdat ze een gesprek afdwingt dat anders niet gevoerd wordt. Maar laten we eerlijk zijn over wat een cijfer is: geen bewijs dat het goed gaat, maar een vraag die om een verhaal vraagt. Het gevaarlijkste moment is niet de lage score, het is de hoge. Want een hoge score nodigt uit om achterover te leunen, terwijl inclusie nooit af is.

Gebruik het getal dus zoals een arts een thermometer gebruikt: als begin van het onderzoek, niet als diagnose. Leg naast elke meting de verhalen die het cijfer niet vangt. En stel na elke uitkomst de vraag die er echt toe doet: wie hebben we niet gehoord toen we dit invulden? Meten is een spiegel. Het is aan ons om er echt in te kijken, ook als het beeld ons niet bevalt.

Facebook
Twitter
LinkedIn